zondag 9 november 2025

Binnenstad

Maud en Sabine zijn mijn vriendinnen. Ik heb ook een schoolvriendin. Zij heet Lise. Ik weet eigenlijk niet wat het verschil is tussen een vriendin en een schoolvriendin. Maar ik noem het gewoon zo. Misschien komt dat ook wel omdat Maud en Sabine familie van mij zijn. We zijn namelijk achternichtjes van elkaar. Onze opa's zijn broers van elkaar. Mama heeft een foto van vroeger. Daar staan alle broers op. Onze opa's hebben nog twee broers, en zo kom je dus op vijf. Ze hebben allemaal dezelfde achternaam en ze wonen allemaal aan dezelfde weg. Zo gaat dat in een dorp. Dat zegt mama. In de stad gaat het anders. Dat zegt ze ook. Geen idee, hoe het gaat in de stad. 

Wij komen nooit in de stad. Ja, heel soms. De Bogaert in Rijswijk is niet echt naar de stad gaan. Want dat doen we alleen vier keer in het jaar, om kleren uit te kiezen bij V&D en Peek & Cloppenburg en C&A en de HEMA. We maken dan een rondje zeg maar. Mama neemt alle tijd voor ons, en ze denkt nooit eens aan zichzelf. Al zou ze alleen maar een sjaal voor zichzelf kopen, maar dat doet ze ook niet. Alles gaat naar de kinderen. Ze heeft niks nodig. Dat zegt ze. Maar ze ziet er wel altijd prachtig uit, mijn moeder. 

Heel soms gaan we naar de binnenstad. Zo noemt mama dat: de binnenstad. Dat is het centrum van Den Haag. Want ons dorp is tegen Den Haag aan geplakt. Ons dorp heet Kwintsheul. De meester op school zegt dat 'Kwint' eerst 'Quint' heette. Daarom heet de sportvereniging ook Quintus. De Romeinen noemden ons dorp 'Kwintsheul', vanwege de vijf bruggen in het dorp. Wij wonen aan de Heulweg. Dat is eigenlijk gewoon één rechte straat, die aan de ene kant naar Wateringen gaat en aan de andere kant naar Honselersdijk. Er rijden grote vrachtwagens over de Heulweg. Die gaan allemaal naar de bloemenveiling in Naaldwijk. 

Nou, we gingen dus een keer naar de binnenstad: mama, Sanne en ik. We gingen met de bus. Best wel gek dat je dan niet meer in het Westland bent, als je daar bent. De mensen zijn daar anders. Ik moest wel heel erg wennen. De winkels waren niet zo overzichtelijk als in de Bogaert. En we wisten natuurlijk ook niet zo goed de weg daar. Mama ook niet. Ik vond het wel grappig dat er een heleboel verschillende mensen liepen. Bijvoorbeeld een man in een leren jas die aan het dansen was op straat en de hele tijd een sigaret rookte. We hadden wel wat kleren gekocht, maar de volgende keer wil ik toch maar weer gewoon naar de Bogaert. Want daar weet ik precies waar we moeten zijn. Daar krijgen we een ijsje bij Jamin. Dat kan zomaar als je buiten staat. Dat is nieuw. Dan koop je een ijsje en geven ze je door een open raam dat ijsje. Dat ijs heeft een zachte smaak. Anders dan bij Bram patat. Bram patat, dat is de snackbar bij ons in het dorp. Hij heet niet echt zo, maar iedereen noemt hem zo. Hij is altijd heel aardig als je daar patat haalt. Dan maakt hij grapjes. Dat vind ik fijn. Want daar word ik minder verlegen van zeg maar. 

Nou, die ene keer in de binnenstad, toen kwamen we best laat terug in huis. Het was al half 10 in de avond. Dat is best laat, als je kleren gekocht hebt. Papa en de jongens hadden zonder ons moeten eten. Dat zijn ze niet gewend. Want normaal doen wij alles in het huishouden. Dus toen we binnen kwamen, was de eettafel nog niet afgeruimd. Dat vond ik een heel gek gezicht.

Ik begon mijn verhaal met vertellen over Lise, mijn schoolvriendin. Wij beleven altijd leuke avonturen. Meestal ga ik bij haar logeren. Want zij woont helemaal in Honselersdijk, en dan ook nog eens helemaal ver weg, tussen de kassen. Als ik bij haar ga logeren, dan bel ik eerst naar haar. Daarna stappen we allebei op hetzelfde moment op de fiets. Zij fietst richting Kwintsheul en ik fiets richting Honselersdijk. Dan komen we elkaar meestal ergens aan het begin van de Zwethlaan tegen, en fietsen we samen naar haar huis. 

Met Lise is eigenlijk alles anders dan met Maud en Sabine. Ik vind het eerlijk gezegd soms wel een beetje veel om steeds bij haar te logeren. Want dan moet ik Maud en Sabine te lang missen. Maar als ik eenmaal bij Lise thuis ben, dan vind ik het heerlijk om daar te zijn. Ik weet ook niet altijd wat ik wil en wat ik niet wil. Ik doe ook vaak iets omdat anderen dat willen.      

vrijdag 7 november 2025

Schuur

Papa woont het langste in ons huis. Daarna mama. Daarna John. Dan ik, dan Bart en dan Sanne. Ik zal uitleggen hoe dat zit. Want kijk. Papa is geboren in ons huis. Ja echt. Daar denken we eigenlijk nooit zo bij na, maar papa was in dit huis heel vroeger ook een jong kind, net zoals wij. Ik heb het even gevraagd aan mama. Zij zegt dat ons gebouwd is in het jaar 1929. Dat was nog lang voordat de Tweede Wereldoorlog kwam. Opa en oma gingen trouwen en toen gingen ze in dit grote huis wonen. Dat hoort bij de tuin. Want als je over de brug naar de tuin loopt, dan ben je al in de tuin. De tuin, zo noemen wij dat. Er staan kassen en er zijn ook moestuintjes. Wij spelen daar graag. 

Papa heeft zussen en een broer en zij komen graag bij ons. Want dan kunnen ze ook herinneringen ophalen aan het huis waar zij vroeger gewoond hebben. Het lijkt net alsof mama hier ook altijd gewoond heeft, want ze hoort gewoon in dit huis. Want er komen zo'n beetje elke dag wel mensen op bezoek. Dat komt door mama. Want zij zorgt voor al die mensen. Het is haar nooit te veel. Dan zegt ze joh, eet gezellig mee, ik zet wel een bord extra voor je neer, er is genoeg. Dus iedereen vindt het gezellig om even langs te komen en een praatje te maken. En als ze me in de weg zitten met spelen, dan ga ik gewoon naar de zolder. Dus daarom ben ik vaak op zolder.

Wij hebben een serre, met een trapje naar de gang. Mama zegt dan weleens dat we daarom 'op stand' leven: omdat je eerst dat trapje op moet voordat je naar binnen gaat. De serre grenst aan het schuurtje, en daar is de waterpomp. Daar haalt mama het water voor de planten in de voortuin en de achtertuin. Ik heb ook nog een oude deur ontdekt in het schuurtje. Die deur is roestig en zit onder de spinnenwebben. Via die deur kom je in de andere schuur. Daar woonden vroeger Marokkanen, die bij papa in de tuin werkten. Nu mogen we die schuur gebruiken als clubhuis. 

Laatst ging ik met Sabine naar de zolder van die schuur. Daar liggen allemaal spullen van de tuin, en het is er heel donker. Er is een kamertje gebouwd. Dat was dus vroeger voor de Marokkaanse mannen. Een soort slaapkamertje. Sabine en ik gingen door het sleutelgat kijken. Dat was echt heel spannend. Er hangt een colbertjasje aan de muur, en we zagen ook nog wat plaatjes aan de muur, met afbeeldingen uit Marokko. Mogen we daar wel kijken? Moet ik papa dan zeggen dat de mannen hun spullen vergeten zijn? Of weten ze dat ook wel? 

Het is ook wel een beetje ons geheim, dat we door het sleutelgat gekeken hebben. De benedenverdieping van de schuur kennen we wel. Want daar hebben we dus ons clubhuis. Er is een piepklein woonkamertje met een piepklein raampje en een granieten aanrecht en zelfs een douche. Dan is er nog een klein halletje met allemaal oude spullen uit de tuin en gereedschap. Boven liggen ook allemaal oude spullen en daar is dus ook dat kamertje. Ik ben heel graag bij oude spullen. Ik weet ook niet precies waarom dat zo is. Vooral als ik niet weet wat voor spullen het zijn. Dan ga ik dat allemaal uitzoeken en netjes neerleggen en schoonmaken. En dan komen er allemaal verhalen in mijn hoofd, over die spullen. 

Eigenlijk vertelt mijn hoofd elke dag weer nieuwe verhalen. Ik kan het amper bijhouden. Mama zegt dat dat 'ideëen' zijn. Ze zegt dat Maud, Sabine en ik de allerbeste vriendinnen zijn, omdat we elke dag weer nieuwe ideëen en plannetjes hebben. Dat hebben we een beetje hetzelfde, zegt mama. Dat klopt wel, wat mama zegt. En ze vindt het zo leuk dat wij dat hebben. We weten vaak niet wat we moeten kiezen en we willen dan alles tegelijk. 

Zoals bijvoorbeeld: zangeresje spelen, boerinnetje spelen, tekenen, iets maken dat in Libelle staat, balspelen, hutten bouwen. Nou. En ga zo maar door! 

maandag 3 november 2025

Chocoladereep

Als ik naar school vertrek, dan ga ik altijd ruim op tijd de deur uit. Dat komt omdat ik eerst Sabine ophaal, en dan Maud. Iemand ophalen, dat betekent dat je naar die ander toe gaat, dan gaat die ander zich klaarmaken om mee te gaan en dan ga je samen verder. Dat zijn de rituelen die elke dag terugkomen. Ik weet eigenlijk niet hoe we hiermee begonnen zijn. Maar het is gans onmogelijk om langs het huis van Sabine te lopen, en haar niet mee te nemen naar school. En datzelfde geldt voor Maud. 

Op de terugweg gaat het weer op dezelfde manier, maar dan in omgekeerde volgorde. Dan gaat het wel sneller. Dan zeg je gewoon "Dag!" en dan gaat die ander naar huis. En dan zie je elkaar heel gauw weer. Er zit nooit veel tijd tussen. Op school zien we dan de andere kinderen. Voor mij zijn het letterlijk 'de andere kinderen'. Nou ja, ik heb trouwens ook nog wel een schoolvriendin. Eigenlijk heb ik zeg maar mijn vriendinnen en mijn klasgenoten. 

Het is dus altijd leuk op school en met mijn vriendinnen. Maar eerlijk is eerlijk: het moment waarop Sabine haar huis binnenloopt en ik nog een stukje verder moet lopen... dat vind ik een superfijn moment. Dan ben ik eventjes helemaal alleen en dan ga ik huppelen en zingen in mezelf. Als ik dan thuiskom, dan ruik ik de heerlijke geuren van de maaltijd die mama heeft klaargemaakt. Wij eten tussen de middag altijd warm. Rode kool met appeltjes vind ik lekker. 

Vandaag is weer zo'n dag als alle andere doordeweekse dagen. Ik heb Sabine opgehaald en we hebben weer een peersnoepje gekregen uit de provisiekast. Want dat gaat altijd zo. Nu halen we Maud op. We hebben alledrie een dubbeltje mee van huis genomen. Want we gaan een chocoladereep kopen bij Eekhout. Eekhout is de sigarenboer, die we onderweg naar school tegenkomen. Daar hangt ook een kauwgomballenautomaat. Soms zit daar nog een dubbeltje in, en dan kun je er zo een kauwgombal uit halen. Vanmiddag gaat Herman onder water zwemmen in het zwembad. Als hij de overkant haalt, krijgt hij van de kinderen in de klas chocoladerepen.

"Weten jullie zeker dat Herman dat hele stuk onder water kan zwemmen?"

"O ja, zeker weten. Hij kan zelfs nog wel langer onder water blijven." 

"Dat vind ik echt superknap van hem. Ik zou dat nooit durven."

"Wat is eigenlijk zijn lievelingschocolade? Melk of puur?"

"Meester zei dat melk zijn lievelings is. Maar we mochten echt niks aan Herman laten merken. Het moet een verrassing voor hem zijn."

We kopen bij Eekhout een grote chocoladereep melk, van Verkade. We vertellen meneer Eekhout over Herman en hoe trots we zijn op onze klasgenoot, dat hij zo goed onder water kan zwemmen. Meneer Eekhout moet er wel om lachen. 

Als we op school zijn aangekomen, dan staat de bus al klaar. Die bus brengt ons naar Wateringen. Want daar is het zwembad. Normaal gesproken word ik in de bus al angstig, omdat ik dan naar zwemles moet. Maud wordt dan ook angstig, omdat ze het zo erg voor mij vindt dat ik zo moet huilen met zwemles. Terwijl ze zelf ook heel goed kan zwemmen, net als Herman. Maar deze keer hoef ik niet angstig te zijn. Want deze keer gaan we niet zelf zwemmen, maar zijn we het publiek van Herman. 

Als we bij het zwembad zijn, is er wel wat miezerregen. Maar dat geeft niks voor Herman. Hij duikt in het zwembad en zwemt moeiteloos onder water naar de overkant. Hij zwemt zelfs nog een stukje terug onder water. Zo knap! Er volgt een luid applaus, en Herman krijgt allemaal chocoladerepen, heel veel van Verkade. 

Herman vindt het volgens mij allemaal nogal overdreven. Voor hem was het een kleine moeite. Maar toch leuk, dat de meester dit organiseert, om iemand in het zonnetje te zetten. Ik vind Herman lief. Ik ben echt niet verliefd op hem. Maar ik vind hem gewoon lief. 


 

zaterdag 25 oktober 2025

Liedje

Elke doordeweekse dag - als we met zijn drietjes uit school lopen - bespreken we bij wie we gaan spelen. Dat is meestal snel besloten. Er is ook nooit gedoe over. Onze school gaat om 4 uur uit. Wij vinden het altijd leuk op school. Alle vakken vinden we leuk. Oké, soms wel wat saai, maar het is gewoon fijn dat je er elke dag weer iets bij leert. Vandaag gaan we bij Maud spelen. Het regent buiten, dus we gaan binnen spelen. 

Het is druk in de winkel. Ome Joop en tante Helena rennen steeds heen en weer, van de woonkamer naar de winkel. Dat moet ik even uitleggen, hoe dat zit. Kijk... de vader van Sabine en de vader van mij zijn allebei tuinder van beroep. Ze hebben hele grote kassen op de laan, en daar telen ze chrysanten in. Papa zegt dat er vroeger een sloot was, waar de laan nu is. Die sloot is gedempt en nu is er de laan. Daar liepen wij vroeger met onze poppenwagens. Dan gingen we helemaal tot achter aan de laan en toen weer terug. Maar daar zijn we nu te groot voor. Alhoewel: we spelen nog steeds wel met poppen hoor!

Maar goed, ik was dus aan het vertellen over onze vaders. De vader van Maud is geen tuinder. Hij is drogist. Dat is wel even wat anders dan tuinder! Tante Helena werkt ook in de winkel van ome Joop. Ze dragen dan allebei een witte winkeljas. Ik vind het knap, hoe tante Helena die witte jassen zo wit kan houden in de was. Zelf draag ik nooit wit, want ik mors heel gauw iets op mijn kleren. Dan kun je beter geen wit dragen. Nou ja, zo zit het dus. 

Vandaag is het dus druk in de drogisterij. Ze hebben een deur van de woonkamer zo direct naar de winkel. Dat is wel handig. Zo kan tante Helena toch nog een beetje bij ons in de buurt zijn, als wij lekker aan het spelen zijn en als het niet zo druk in de winkel is. 

Op de radio horen wij het liedje van Conny van den Bos, met de titel: 'Ik ben gelukkig zonder jou.' Daar heb ik steeds discussie over met Maud en Sabine. Want ik weet echt zeker dat Conny zingt: "Ik ben ongelukkig zonder jou." Maar Maud en Sabine zeggen dat dat helemaal niet waar is. 

"Je hoort toch heel goed dat ze zingt dat ze gelukkig is zonder hem? Je hoort helemaal niet dat ze ongelukkig is zonder hem. Ze is blij dat ze van hem af is. Dat zingt ze!"

"Ja, misschien hebben jullie wel gelijk. Maar toch denk ik dat ze zingt dat ze ongelukkig is, zonder hem."

"Nee hoor, dat is niet waar. Dat hoor je toch helemaal niet?"

Diep in mijn hart weet ik ook wel dat ze gelijk hebben. En ik snap zelf ook niet waarom ik denk dat ze 'ongelukkig' zingt, in plaats van 'gelukkig'. 

Mijn vriendinnen blijven voet bij stuk houden en ik baal ervan dat we nu 'ruzie' hebben om een liedje van Conny Van den Bos, die zingt dat ze blij is dat ze van haar man verlost is. Ik houd niet van ruzie en ik doe er altijd alles aan om geen ruzie te hebben. En dat lukt heel goed, want niemand maakt ruzie met mij, wat ik ook doe of zeg, iedereen vindt mij lief, en dat moet ook, want ik zou het vreselijk vinden als ik niet lief zou zijn. 

Maud en Sabine blijven volhouden dat ik het fout heb. Dan komt tante Helena binnen. Ze moet er wel om lachen dat wij zo kibbelen. Maud vraagt aan haar moeder of zij ook vindt dat zij gelijk hebben, en niet ik. Ze vraagt of Conny 'gelukkig' zingt, of dat ze 'ongelukkig' zingt. 

Glimlachend zegt tante Helena een paar wijze woorden: 

"Ja, Conny zingt 'gelukkig' en ze zingt niet 'ongelukkig'. Maar misschien is het ook wel zo dat Jennifer het zich gewoon niet kan voorstellen dat iemand gelukkig is, omdat ze niet meer van de ander houdt. En dat ze daarom andere dingen in het liedje hoort." 

Ik vind het zo fijn dat tante Helena mij zo goed begrijpt. Want ze heeft wel gelijk. Ik snap ten eerste niet dat je niet meer van iemand kunt houden waar je mee getrouwd bent geweest. Je kan niet heel veel van iemand houden en dan plotseling niet meer. Dat geloof ik nooit. En ten tweede geloof ik ook niet dat je gelukkig bent omdat je niet meer van die persoon houdt. 

Ik zeg het allemaal wel een beetje moeilijk, maar ik bedoel eigenlijk dit: niet meer van iemand houden, dat maakt een mens ongelukkig. Want dan voel je geen liefde meer. En dat is erg. 

Vrolijk

Alle verhalen die ik vertel zijn vrolijk. Dat komt omdat ik zo'n beetje altijd vrolijk ben. Ja, ik ben ook wel bang voor veel dingen hoor. Maar er zijn altijd wel weer mensen die mij helpen. Ik weet eigenlijk ook niet zo goed waarom ik gauw bang ben. Mama zegt dat ik gewoon zo ben. En dat dat niet erg is. 

Ik ben bang voor honden. Sommige kinderen zijn alleen bang voor grote honden. Ik ben bang voor alle honden. Dat is best gek. Want ik vind honden ook weer heel leuk. Maar ze moeten wel een beetje op afstand blijven. Maud is een echte dierenvriend. Heel vroeger kreeg ze een poes cadeau, en zij noemde hem Jantje. Grappige naam: Jantje. Als we uit school komen en bij Maud gaan spelen, dan gaan we eerst een hele tijd met Jantje knuffelen. Ik vind dat op zich wel leuk, maar ik vind dat ook wel te lang duren. Als ik wil gaan spelen, dan zijn Maud en Sabine nog met Jantje aan het knuffelen. Sabine, dat is mijn andere vriendin. Wij zijn bijna altijd met zijn drieën.

Ik ben ook bang voor grote jongens die boos doen. Maar ik kan niet echt boos terug doen, dus dan loop ik maar weg. Het meest bang ben ik voor schoolzwemmen. Vooral naar de bodem zwemmen. Dat vind ik echt heel eng. Ik snap ook echt niet waarom ik zo bang voor zwemmen ben, en veel moet huilen. Ik heb dat alleen in het zwembad. Want als ik in de zee zwem, vind ik het helemaal niet eng. Dat vind ik juist geweldig, met al die hoge golven.

Ik moet ook wel vaak zomaar huilen. Dat snap ik niet van mezelf. Dan gebeurt er iets kleins en ga ik in één keer heel hard huilen. Het duurt een hele tijd, voordat het weer ophoudt. Het lijkt net alsof er bij mij ergens op een knopje wordt gedrukt en dat dan de 'huilmachine' aan wordt gezet, zonder dat ik het zelf in de gaten heb. Dat is natuurlijk irritant voor andere mensen. Maar ik snap er zelf ook niks van. En ik snap ook niet waarom het zo lang moet duren. Dan noemen andere kinderen mij een aanstelster. Later denk ik ook nou ja, dat je daar nou om moet huilen. Dat snap ik zelf ook niet. Maar toch gebeurt het iedere keer weer.

Maar dat is eigenlijk ook het enige, wat lastig is. Want voor de rest maak ik elke dag hele leuke dingen mee. En anderen worden gelukkig ook nooit boos op mij, door dat vele huilen van mij. Want ze vinden mij allemaal heel lief, dus dat is wel fijn. 

Nou ja, er is misschien toch nog wel een dingetje. Want ik durf heel vaak niet te zeggen wat ik wil. Dus dan doe ik dingen tegen mijn zin. Bijvoorbeeld bij iemand spelen waar ik helemaal geen zin in heb. Of dat ik altijd maar andere kinderen om mij heen heb. Terwijl ik ook wel een keertje in mijn eentje wil zijn, en bijvoorbeeld een patroontje borduren dat in het tijdschrift Libelle staat.

Mama leest Libelle. Dat is een blad voor de moderne vrouw. Mama is een moderne vrouw. Ze ziet er mooi uit en ze kan goed kleding maken. Ze had eigenlijk kleermaker moeten worden. En ze zit in het Oudercomité van de school en ze doet ook nog eens alles in het huishouden, voor de kinderen en werken bij papa in de tuin. Mama is een duizendpoot. Ik wil later ook zo worden, zoals mama. Maar zij is beter dan ik. 

Voorwoord

Dit is een boek voor kinderen, die graag willen weten hoe het was om op te groeien in de jaren 70. Het boek is gebaseerd op mijn eigen jeugdherinneringen, en in verhaalvorm opgeschreven. Zo lijkt het net alsof de verhalen zich afspelen in de huidige tijd. 

Sinds de jaren 70 is er enorm veel veranderd in de maatschappij. Maar de belevingswereld van een kind is mijns inziens niet aan tijd gebonden. Door mijn werk in de kinderopvang heb ik het voorrecht om dagelijks herinnerd te worden aan mijn eigen kindertijd. 

Als leidster in de kinderopvang bekijk je de wereld door de ogen van een kind. Dat gebeurt spelenderwijs, om je zo goed mogelijk af te stemmen op de belevingswereld van het kind. Hiermee komen je 'eigen verhalen van vroeger' weer naar boven. 

Tijdens een logeerweekend bij mijn dochter Amber - in Maastricht - heb ik herinneringen opgehaald aan heel vroeger. Dat was samen met mijn jeugdvriendin. Er ontstond een correspondentie, naar aanleiding van dit logeerweekend. Vervolgens besloot ik om deze herinneringen te verwerken in verhalen, speciaal bedoeld voor kinderen. Ik heb de verhalen zodanig opgeschreven, dat het lijkt alsof de hoofdpersoon Jennifer rechtstreeks met de lezer praat. 

Dit boekje is bedoeld voor kinderen, maar ook voor volwassenen. Het is bedoeld om te lezen en/of om voor te lezen. Het is ook leuk voor opa's en oma's, om het gesprek aan te gaan met hun kleinkinderen, over hun eigen jeugd in de jaren 70.  

Ik wens jullie veel leesplezier!

Ester 

Proloog

Het kan irritant zijn als de telefoon in de gang hangt. Want dan kan iedereen in huis horen wat je allemaal zegt tegen de persoon aan de andere kant van de lijn. Toen wij heel klein waren, lagen we altijd vroeg op bed. Mama vertelt dat wij weleens wakker werden, omdat papa dan te hard aan het praten was, als hij met iemand telefoneerde. We hadden toen een zwarte bakelieten telefoon in de gang hangen. 


Papa is tuinder, en moet vaak belangrijke dingen regelen als hij in huis is. Dus dan praat hij ook weleens hard. 

Het was wel een hele vooruitgang, toen we een nieuwe telefoon kregen. Die is grijs en die staat nu gewoon in de woonkamer. Mijn vriendinnen heten Maud en Sabine. Als ik één van hun wil bellen, dan kies ik met de draaischijf de vier cijfers van hun telefoonnummer. Een telefoonnummer van vier cijfers is wel makkelijk te onthouden.

Vandaag verwacht ik een telefoontje van Maud. Mama heeft gezegd dat ze mij zou bellen. Ja, nu gaat de telefoon. Mama neemt op. Aan de andere kant van de lijn vraagt Maud of Jennifer ook thuis is. Dat ben ik dus: Jennifer.  

"Ja hoor, een momentje. Ik roep haar even."

Bij ons thuis zeggen we altijd 'een momentje', als we iemand moeten roepen om aan de telefoon te komen. Bij Maud thuis zeggen ze 'een ogenblikje'. Dat is ongeveer hetzelfde als 'een momentje´, maar het klinkt een stuk netter. Ik vind het altijd leuk als Maud dat zegt. Maar het zou wel een beetje raar zijn, als ik ineens ook 'ogenblikje' zou zeggen. 

Ik loop gauw naar de telefoon, want ik ben benieuwd wat Maud te melden heeft. Ze klinkt blij, aan de andere kant van de lijn. 

"Hoi Jennifer, heeft je moeder al verteld over de vakantie?"

"Nee, ik weet nog nergens van."

"Nou, het is echt heel leuk. Want je weet toch nog wel dat wij vorig jaar naar Drenthe op vakantie zijn geweest?"

"Ja, dat vonden jullie zo leuk. Dat was toch bij dat meer met die mooie naam? Dat je zei dat je er ook een keertje met mij naartoe wilde?"

"Ja precies. Nou. Jij gaat deze zomer ook naar dat meer!"

"Echt waar? Mag ik met jullie mee op vakantie?"

"Niet alleen jij. Het hele gezin! Jouw ouders, mijn ouders en alle kinderen." 

"Echt!? Waarom heeft mama dat dan nog niet verteld?"

"Omdat ze het leuk vond als ik het aan jou zou vertellen."

"Gaan we dan meteen naar dat meer?"

"Ja, natuurlijk. En we gaan ook fietsen huren. Want papa zegt dat je in Drenthe mooi kan fietsen. Bij ons in het Westland is alles volgebouwd met kassen. Dat heb je in Drenthe helemaal niet. Daar zijn weilanden met koeien en korenvelden en heidegebieden."

"Nou, dat wil ik weleens zien. Maar ik wil eerst naar dat meer. Hoe heette dat ook alweer? Zoals de hemel, zo mooi. Dat vertelde jij. Zo mooi als de hemel."

"Ja precies. Dat meer heet 'Het Nije Himmelriek'. Dat zegt mama. Maar je moet wel een beeldje meenemen."

"Een beeldje?"

"Ja. Kies het mooiste beeldje uit, uit je verzameling van beeldjes, die je op je kamer hebt staan. Dat heb ik vorig jaar ook gedaan. Dan zet je dat beeldje in het gras, bij het huisje waar we vakantie houden. En dan gaan we samen onze beeldjes versieren met bloemen. Dat is romantisch. Pas dan kan onze vakantie écht beginnen."

"Goed. Ik neem een beeldje mee."