zondag 9 november 2025

Binnenstad

Maud en Sabine zijn mijn vriendinnen. Ik heb ook een schoolvriendin. Zij heet Lise. Ik weet eigenlijk niet wat het verschil is tussen een vriendin en een schoolvriendin. Maar ik noem het gewoon zo. Misschien komt dat ook wel omdat Maud en Sabine familie van mij zijn. We zijn namelijk achternichtjes van elkaar. Onze opa's zijn broers van elkaar. Mama heeft een foto van vroeger. Daar staan alle broers op. Onze opa's hebben nog twee broers, en zo kom je dus op vijf. Ze hebben allemaal dezelfde achternaam en ze wonen allemaal aan dezelfde weg. Zo gaat dat in een dorp. Dat zegt mama. In de stad gaat het anders. Dat zegt ze ook. Geen idee, hoe het gaat in de stad. 

Wij komen nooit in de stad. Ja, heel soms. De Bogaert in Rijswijk is niet echt naar de stad gaan. Want dat doen we alleen vier keer in het jaar, om kleren uit te kiezen bij V&D en Peek & Cloppenburg en C&A en de HEMA. We maken dan een rondje zeg maar. Mama neemt alle tijd voor ons, en ze denkt nooit eens aan zichzelf. Al zou ze alleen maar een sjaal voor zichzelf kopen, maar dat doet ze ook niet. Alles gaat naar de kinderen. Ze heeft niks nodig. Dat zegt ze. Maar ze ziet er wel altijd prachtig uit, mijn moeder. 

Heel soms gaan we naar de binnenstad. Zo noemt mama dat: de binnenstad. Dat is het centrum van Den Haag. Want ons dorp is tegen Den Haag aan geplakt. Ons dorp heet Kwintsheul. De meester op school zegt dat 'Kwint' eerst 'Quint' heette. Daarom heet de sportvereniging ook Quintus. De Romeinen noemden ons dorp 'Kwintsheul', vanwege de vijf bruggen in het dorp. Wij wonen aan de Heulweg. Dat is eigenlijk gewoon één rechte straat, die aan de ene kant naar Wateringen gaat en aan de andere kant naar Honselersdijk. Er rijden grote vrachtwagens over de Heulweg. Die gaan allemaal naar de bloemenveiling in Naaldwijk. 

Nou, we gingen dus een keer naar de binnenstad: mama, Sanne en ik. We gingen met de bus. Best wel gek dat je dan niet meer in het Westland bent, als je daar bent. De mensen zijn daar anders. Ik moest wel heel erg wennen. De winkels waren niet zo overzichtelijk als in de Bogaert. En we wisten natuurlijk ook niet zo goed de weg daar. Mama ook niet. Ik vond het wel grappig dat er een heleboel verschillende mensen liepen. Bijvoorbeeld een man in een leren jas die aan het dansen was op straat en de hele tijd een sigaret rookte. We hadden wel wat kleren gekocht, maar de volgende keer wil ik toch maar weer gewoon naar de Bogaert. Want daar weet ik precies waar we moeten zijn. Daar krijgen we een ijsje bij Jamin. Dat kan zomaar als je buiten staat. Dat is nieuw. Dan koop je een ijsje en geven ze je door een open raam dat ijsje. Dat ijs heeft een zachte smaak. Anders dan bij Bram patat. Bram patat, dat is de snackbar bij ons in het dorp. Hij heet niet echt zo, maar iedereen noemt hem zo. Hij is altijd heel aardig als je daar patat haalt. Dan maakt hij grapjes. Dat vind ik fijn. Want daar word ik minder verlegen van zeg maar. 

Nou, die ene keer in de binnenstad, toen kwamen we best laat terug in huis. Het was al half 10 in de avond. Dat is best laat, als je kleren gekocht hebt. Papa en de jongens hadden zonder ons moeten eten. Dat zijn ze niet gewend. Want normaal doen wij alles in het huishouden. Dus toen we binnen kwamen, was de eettafel nog niet afgeruimd. Dat vond ik een heel gek gezicht.

Ik begon mijn verhaal met vertellen over Lise, mijn schoolvriendin. Wij beleven altijd leuke avonturen. Meestal ga ik bij haar logeren. Want zij woont helemaal in Honselersdijk, en dan ook nog eens helemaal ver weg, tussen de kassen. Als ik bij haar ga logeren, dan bel ik eerst naar haar. Daarna stappen we allebei op hetzelfde moment op de fiets. Zij fietst richting Kwintsheul en ik fiets richting Honselersdijk. Dan komen we elkaar meestal ergens aan het begin van de Zwethlaan tegen, en fietsen we samen naar haar huis. 

Met Lise is eigenlijk alles anders dan met Maud en Sabine. Ik vind het eerlijk gezegd soms wel een beetje veel om steeds bij haar te logeren. Want dan moet ik Maud en Sabine te lang missen. Maar als ik eenmaal bij Lise thuis ben, dan vind ik het heerlijk om daar te zijn. Ik weet ook niet altijd wat ik wil en wat ik niet wil. Ik doe ook vaak iets omdat anderen dat willen.      

vrijdag 7 november 2025

Schuur

Papa woont het langste in ons huis. Daarna mama. Daarna John. Dan ik, dan Bart en dan Sanne. Ik zal uitleggen hoe dat zit. Want kijk. Papa is geboren in ons huis. Ja echt. Daar denken we eigenlijk nooit zo bij na, maar papa was in dit huis heel vroeger ook een jong kind, net zoals wij. Ik heb het even gevraagd aan mama. Zij zegt dat ons gebouwd is in het jaar 1929. Dat was nog lang voordat de Tweede Wereldoorlog kwam. Opa en oma gingen trouwen en toen gingen ze in dit grote huis wonen. Dat hoort bij de tuin. Want als je over de brug naar de tuin loopt, dan ben je al in de tuin. De tuin, zo noemen wij dat. Er staan kassen en er zijn ook moestuintjes. Wij spelen daar graag. 

Papa heeft zussen en een broer en zij komen graag bij ons. Want dan kunnen ze ook herinneringen ophalen aan het huis waar zij vroeger gewoond hebben. Het lijkt net alsof mama hier ook altijd gewoond heeft, want ze hoort gewoon in dit huis. Want er komen zo'n beetje elke dag wel mensen op bezoek. Dat komt door mama. Want zij zorgt voor al die mensen. Het is haar nooit te veel. Dan zegt ze joh, eet gezellig mee, ik zet wel een bord extra voor je neer, er is genoeg. Dus iedereen vindt het gezellig om even langs te komen en een praatje te maken. En als ze me in de weg zitten met spelen, dan ga ik gewoon naar de zolder. Dus daarom ben ik vaak op zolder.

Wij hebben een serre, met een trapje naar de gang. Mama zegt dan weleens dat we daarom 'op stand' leven: omdat je eerst dat trapje op moet voordat je naar binnen gaat. De serre grenst aan het schuurtje, en daar is de waterpomp. Daar haalt mama het water voor de planten in de voortuin en de achtertuin. Ik heb ook nog een oude deur ontdekt in het schuurtje. Die deur is roestig en zit onder de spinnenwebben. Via die deur kom je in de andere schuur. Daar woonden vroeger Marokkanen, die bij papa in de tuin werkten. Nu mogen we die schuur gebruiken als clubhuis. 

Laatst ging ik met Sabine naar de zolder van die schuur. Daar liggen allemaal spullen van de tuin, en het is er heel donker. Er is een kamertje gebouwd. Dat was dus vroeger voor de Marokkaanse mannen. Een soort slaapkamertje. Sabine en ik gingen door het sleutelgat kijken. Dat was echt heel spannend. Er hangt een colbertjasje aan de muur, en we zagen ook nog wat plaatjes aan de muur, met afbeeldingen uit Marokko. Mogen we daar wel kijken? Moet ik papa dan zeggen dat de mannen hun spullen vergeten zijn? Of weten ze dat ook wel? 

Het is ook wel een beetje ons geheim, dat we door het sleutelgat gekeken hebben. De benedenverdieping van de schuur kennen we wel. Want daar hebben we dus ons clubhuis. Er is een piepklein woonkamertje met een piepklein raampje en een granieten aanrecht en zelfs een douche. Dan is er nog een klein halletje met allemaal oude spullen uit de tuin en gereedschap. Boven liggen ook allemaal oude spullen en daar is dus ook dat kamertje. Ik ben heel graag bij oude spullen. Ik weet ook niet precies waarom dat zo is. Vooral als ik niet weet wat voor spullen het zijn. Dan ga ik dat allemaal uitzoeken en netjes neerleggen en schoonmaken. En dan komen er allemaal verhalen in mijn hoofd, over die spullen. 

Eigenlijk vertelt mijn hoofd elke dag weer nieuwe verhalen. Ik kan het amper bijhouden. Mama zegt dat dat 'ideëen' zijn. Ze zegt dat Maud, Sabine en ik de allerbeste vriendinnen zijn, omdat we elke dag weer nieuwe ideëen en plannetjes hebben. Dat hebben we een beetje hetzelfde, zegt mama. Dat klopt wel, wat mama zegt. En ze vindt het zo leuk dat wij dat hebben. We weten vaak niet wat we moeten kiezen en we willen dan alles tegelijk. 

Zoals bijvoorbeeld: zangeresje spelen, boerinnetje spelen, tekenen, iets maken dat in Libelle staat, balspelen, hutten bouwen. Nou. En ga zo maar door! 

maandag 3 november 2025

Chocoladereep

Als ik naar school vertrek, dan ga ik altijd ruim op tijd de deur uit. Dat komt omdat ik eerst Sabine ophaal, en dan Maud. Iemand ophalen, dat betekent dat je naar die ander toe gaat, dan gaat die ander zich klaarmaken om mee te gaan en dan ga je samen verder. Dat zijn de rituelen die elke dag terugkomen. Ik weet eigenlijk niet hoe we hiermee begonnen zijn. Maar het is gans onmogelijk om langs het huis van Sabine te lopen, en haar niet mee te nemen naar school. En datzelfde geldt voor Maud. 

Op de terugweg gaat het weer op dezelfde manier, maar dan in omgekeerde volgorde. Dan gaat het wel sneller. Dan zeg je gewoon "Dag!" en dan gaat die ander naar huis. En dan zie je elkaar heel gauw weer. Er zit nooit veel tijd tussen. Op school zien we dan de andere kinderen. Voor mij zijn het letterlijk 'de andere kinderen'. Nou ja, ik heb trouwens ook nog wel een schoolvriendin. Eigenlijk heb ik zeg maar mijn vriendinnen en mijn klasgenoten. 

Het is dus altijd leuk op school en met mijn vriendinnen. Maar eerlijk is eerlijk: het moment waarop Sabine haar huis binnenloopt en ik nog een stukje verder moet lopen... dat vind ik een superfijn moment. Dan ben ik eventjes helemaal alleen en dan ga ik huppelen en zingen in mezelf. Als ik dan thuiskom, dan ruik ik de heerlijke geuren van de maaltijd die mama heeft klaargemaakt. Wij eten tussen de middag altijd warm. Rode kool met appeltjes vind ik lekker. 

Vandaag is weer zo'n dag als alle andere doordeweekse dagen. Ik heb Sabine opgehaald en we hebben weer een peersnoepje gekregen uit de provisiekast. Want dat gaat altijd zo. Nu halen we Maud op. We hebben alledrie een dubbeltje mee van huis genomen. Want we gaan een chocoladereep kopen bij Eekhout. Eekhout is de sigarenboer, die we onderweg naar school tegenkomen. Daar hangt ook een kauwgomballenautomaat. Soms zit daar nog een dubbeltje in, en dan kun je er zo een kauwgombal uit halen. Vanmiddag gaat Herman onder water zwemmen in het zwembad. Als hij de overkant haalt, krijgt hij van de kinderen in de klas chocoladerepen.

"Weten jullie zeker dat Herman dat hele stuk onder water kan zwemmen?"

"O ja, zeker weten. Hij kan zelfs nog wel langer onder water blijven." 

"Dat vind ik echt superknap van hem. Ik zou dat nooit durven."

"Wat is eigenlijk zijn lievelingschocolade? Melk of puur?"

"Meester zei dat melk zijn lievelings is. Maar we mochten echt niks aan Herman laten merken. Het moet een verrassing voor hem zijn."

We kopen bij Eekhout een grote chocoladereep melk, van Verkade. We vertellen meneer Eekhout over Herman en hoe trots we zijn op onze klasgenoot, dat hij zo goed onder water kan zwemmen. Meneer Eekhout moet er wel om lachen. 

Als we op school zijn aangekomen, dan staat de bus al klaar. Die bus brengt ons naar Wateringen. Want daar is het zwembad. Normaal gesproken word ik in de bus al angstig, omdat ik dan naar zwemles moet. Maud wordt dan ook angstig, omdat ze het zo erg voor mij vindt dat ik zo moet huilen met zwemles. Terwijl ze zelf ook heel goed kan zwemmen, net als Herman. Maar deze keer hoef ik niet angstig te zijn. Want deze keer gaan we niet zelf zwemmen, maar zijn we het publiek van Herman. 

Als we bij het zwembad zijn, is er wel wat miezerregen. Maar dat geeft niks voor Herman. Hij duikt in het zwembad en zwemt moeiteloos onder water naar de overkant. Hij zwemt zelfs nog een stukje terug onder water. Zo knap! Er volgt een luid applaus, en Herman krijgt allemaal chocoladerepen, heel veel van Verkade. 

Herman vindt het volgens mij allemaal nogal overdreven. Voor hem was het een kleine moeite. Maar toch leuk, dat de meester dit organiseert, om iemand in het zonnetje te zetten. Ik vind Herman lief. Ik ben echt niet verliefd op hem. Maar ik vind hem gewoon lief.